Hoe werkt GPS?

GPS wandelen is een andere manier van wandelen. Met een GPS-toestel heeft u geen bewegwijzering, kaartjes of routebeschrijving meer nodig. Het GPS-toestel wijst u de weg. Dankzij GPS-techniek is de wandeling atijd ‘op maat’. Rustig in de natuur of door de stad. Maar GPS leent zich ook erg goed voor thematochten en speurtochten. GPS-wandelingen zijn er in vele soorten en afstanden.

GPS staat voor Global Positioning System; een wereldwijd positioneringssysteem. Het bepalen van de positie gebeurt aan de hand van satellieten.

Het Amerikaanse leger lanceerde tussen 1978 en 1994 24 satellieten. Deze satellieten cirkelen in vaste banen rond de Aarde. Met een GPS-ontvanger wisten Amerikaanse legereenheden op ieder moment hun exacte locatie te bepalen, maar ook de locatie van vijandelijke doelen en de geleiding van raketten daar naartoe. In de jaren 80 van de vorige eeuw werd deze satellietnavigatie ook beschikbaar gemaakt voor niet-militair gebruik.

De 24 satellieten die rond de Aarde cirkelen, zenden signalen met daarin onder andere een tijdsaanduiding en een identificatie. Het GPS-toestel ontvangt die signalen en berekent aan de hand van de informatie die de satelliet uitzendt, de afstand tot de satelliet. Om te kunnen bepalen wat de precieze lokatie is, heeft het GPS-toestel de signalen van 4 satellieten nodig.

Met een ‘ouderwetse’ passer wordt duidelijk waarom er minimaal 3 satellieten nodig zijn. Wanneer iemand een cirkel tekent, is de stip in het midden vergelijkbaar met de satelliet. De GPS-ontvanger kan dan overal op die cirkel staan. De tweede satelliet in het bereik van de GPS-ontvanger zorgt voor een tweede cirkel. Die tweede cirkel kruist de eerste op twee plaatsen. De derde cirkel kruist door een van beide snijpunten; nu is duidelijk wat de locatie is. Met een passer en op papier zou nu duidelijk zijn op welke locatie men zich bevindt. Met een GPS-ontvanger is echter het signaal van een vierde satelliet nodig. Zonder dit vierde signaal heeft de ontvanger een mogelijke afwijking van enkele honderden meters.

Eén enkele positie geeft echter geen richting weer. Daarvoor zijn minimaal twee posities nodig. De lijn tussen twee posities is dan de richting waarin wordt bewogen. Dat betekent dat iemand die met een GPS-toestel wil navigeren, zich dus moet verplaatsen. Want zodra er er meerdere posities berekend kunnen worden, kan het toestel weergeven wat de huidige lokatie is ten opzichte van de vorige. Afhankelijk van het type GPS-toestel is er ook extra informatie beschikbaar. De meeste toestellen hebben bijvoorbeeld ook een tripcomputer, die de gewandelde afstand bijhoudt. Veel toestellen ondersteunen kaartsoftware. Daarmee kan de huidige positie op een kaart (inclusief hoogtelijnen) op het beeldscherm worden geprojecteerd.